Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge. Opmerkingen en be-zwaren op het voorstel van afbakening Groene Gordel Front in Brugge en Ommeland (9 juli 2004)
Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge
Opmerkingen en bezwaren op het
voorstel van afbakening
Groene Gordel Front
in Brugge en Ommeland
9 juli 2004
Inleiding
Het Groene Gordel
Front in Brugge en Ommeland (GGF) is tevreden dat er werk gemaakt wordt van een
ruimtelijke visievorming op de ontwikkeling van de stad Brugge en haar ruime
omgeving, waarbij een duurzame ontwikkeling nagestreefd wordt.
Niettemin werden
binnen het GGF een aantal bedenkingen geformuleerd, die zowel betrekking hebben
op het verloop van het afbakeningsproces als op de inhoudelijke punten. Het GGF
is van mening dat zowel het participatief karakter van het proces als het
toepassen van een duurzaamheidstoets niet steeds consequent worden volgehouden.
Op zich zijn er nog mogelijkheden om de koers bij te sturen. Dat is dan ook de
reden waarom wij u deze nota overmaken.
Het GGF is een
netwerk van meer dan honderd samenwerkende verenigingen, waaronder Groen vzw,
Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming, Natuurpunt, Vereniging voor
Bos in Vlaanderen en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen,… dat ontstaan is naar
aanleiding van de problematiek rond het Lappersfortbos en het Chartreusegebied.
Het GGF kan er prat op gaan een belangrijk draagvlak te bezitten, en is daarom
vragende partij om als gesprekspartner erkend te worden in
besluitvormingsprocessen. De technische werkgroep binnen het GGF heeft sinds
zijn ontstaan reeds heel wat denkwerk verricht rond de ruimtelijke problematiek
in het Brugse, en probeert met constructieve voorstellen in dialoog te treden
met politici. Een laatste visieontwikkeling werd “Hanzestadproject” gedoopt.
Alle documenten zijn publiek beschikbaar op de verschillende websites die het
GGF ondersteunen. Behalve onze eigen website
http://www.ggf.be , gaat het om de Hanzestadsite
http://www.ggf.be/GGF/Hanzestad/index.htm , een GGF-archief (Lappersfortmuseum)
op Regio Brugge
http://ggf.regiobrugge.be en de website van Groen vzw
http://users.pandora.be/a150254/ waarop een overzicht van de belangrijkste
GGF-producten te vinden is (het Hanzestadproject, het Groene Gordel Charter, het
Groene Gordel Alternatief, Motivatie tegen de zuidelijke ontsluiting, Motivatie
ter bescherming van het domein Lappersfort, Motivatie voor de lokalisatie van
een hoofdkwartierenzone in de stationsbuurt en het Chartreusememorandum).
Behalve deze eigen documenten, die intussen een bundel vormen die de
concurrentie met de nota’s van het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk
gebied aan kan, zijn ook nog eens drie scripties geschreven rond de GGF-thema’s.
Formateur Yves Leterme heeft naar aanleiding van de vorming van de nieuwe
Vlaamse regering “het Groene Gordel Memorandum” ontvangen en doorgenomen. Wij
denken dan ook dat wij over voldoende maturiteit en voldoende draagvlak
beschikken om te mogen vragen ons standpunt ernstig te nemen.
Suggesties voor
een beter verloop van het participatieve proces
Het Ruimtelijk Structuurplan
Vlaanderen (RSV) vermeldt over de afbakening van de stedelijke gebieden: “Het
afbakeningsproces is niet denkbaar zonder een betrokkenheid en gelijkwaardige
inbreng van de verschillende maatschappelijke groepen en geledingen die in het
stedelijk gebied actief zijn. Vandaar dat nieuwe vormen van samenwerking nodig
zijn om tot een uitspraak over het te voeren beleid voor het stedelijk gebied te
komen. Om die reden moet worden geopteerd om tegelijkertijd met het proces van
de afbakening een communicatieproces uit te bouwen.”
Van dit communicatie- en
participatieproces hebben wij tot op heden weinig gemerkt. Enkel Natuurpunt werd
uitgenodigd om in de Overleggroep te participeren. Deze klankbordgroep vergadert
echter nauwelijks en bovendien op tijdstippen die voor de meeste vrijwilligers
zeer moeilijk liggen. Bovendien wordt door het projectteam geen moeite gedaan om
effectief geïnteresseerde burgers - van wie minder professionele bagage kan
verwacht worden - actief te betrekken. De informatievergadering van 19 juni 2004
waar deze nota een gevolg van is komt zeer laat in het planningsproces en was
zelfs bijna aan onze oplettendheid ontsnapt. De documenten die op deze
informatievergadering werden uitgedeeld zijn niet digitaal beschikbaar en zijn
niet terug te vinden op de projectwebsite van wvi. De deelstudies (economie en
huisvesting, potentieanalyse Chartreusegebied) worden zelfs niet ter beschikking
gesteld. Een brief die Erik Ver Eecke, voorzitter van VZW Groen, in juli 2002
voor het GGF naar de heer Philippe Van Wesenbeeck van het Vlaams gewest stuurde
met de vraag om opgenomen te worden in de overleggroep en in een ad
hoc-uitgebreid projectteam, bleef onbeantwoord. Kortom, aan het
participatieproces dat garant moet staan voor een transparante en gedragen
besluitvorming wordt naar verhouding veel te weinig aandacht besteed, zeker in
het licht van de tijd en moeite die de technische nota’s kregen.
Inhoudelijke bemerkingen op
de nota
“Voorstel van
afbakening 15/06/2004”
Algemene opmerking
Algemeen is het
voorliggend document te veel opgebouwd rond een programma van wensen die de
betrokken besturen reeds lang op het verlanglijstje hadden staan. Het is het te
weinig een strategische ruimtelijke visieontwikkeling geworden: zeer veel
elementen zijn beleidskeuzes die niet door ruimtelijke argumenten ondersteund
worden. Sprekende voorbeelden zijn de voorgestelde ontwikkeling van de
hoogwaardige dienstenzone in het Chartreusegebied en het oprichten van een
hypermarkt of shoppingcenter ten noorden van het bedrijventerrein Blauwe Toren.
Verder is het opvallend dat men voor de thema’s bedrijvigheid en huisvesting een
zeer sterk kwantitatieve benadering maakt en niet zozeer een kwalitatieve.
Vooral voor de bijkomende bedrijvigheid gaat men ervan uit dat elke extra
hectare evenveel extra arbeidsplaatsen met zich meebrengt. In feite dient
intensief ruimtegebruik op strategische locaties het antwoord te zijn op de
vraag naar meer ruimte voor werkgelegenheid. In het licht hiervan is de
discussie over welke bedrijventerreinen wel en welke niet binnen de afbakening
van de haven opgenomen kunnen worden kafkaïaans te noemen.
Hieronder
proberen wij onze commentaar te enten
op de structuur
van de nota “Voorstel van afbakening 15/06/04”.
Taakstellingen bedrijvigheid
- Algemeen geldt
dat de nadruk veel te sterk gelegd wordt op het aansnijden van nieuwe gebieden.
Sanering, hergebruik en zuiniger omspringen met de beschikbare ruimte zijn
concepten die niet worden geoperationaliseerd. Er worden geen pogingen
ondernomen om alternatieve concepten voor de duurzame ontwikkeling van
bedrijventerreinen naar voren te schuiven.
Dat het ook anders kan bewijst
onder meer “Bedrijvenstad Fortuna” te Sittard, waar het creëren van
werkgelegenheid bewust op een beperkte oppervlakte plaats vindt.
- Wij vragen
expliciet dat de terreinen “Herdersbrug-niet watergebonden” opgenomen worden in
het regionaalstedelijk gebied. Het opnemen van deze terreinen in het havengebied
is te interpreteren als een vrijgeleide voor een nog minder stringent beleid op
het vlak van zuinig ruimtegebruik.
Gewenste
ruimtelijke structuur
Doelstellingen
Het GGF
onderschrijft de geformuleerde doelstellingen die, mits consequent gevolgd, de
basis kunnen en moeten vormen voor een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van het
regionaalstedelijk gebied.
Ruimtelijke concepten
Vier van de zes
voorgestelde ruimtelijke concepten worden door het GGF onderschreven. Het gaat
om “Stationsomgeving als strategisch vervoers- en activiteitenknooppunt”, “Vier
radiale invalswegen als structurerende elementen binnen het regionaalstedelijk
gebied”, “Stadsring als structurerend element” en “Groene gordel als
aaneengesloten drager van open-ruimte-activiteiten”.
Het concept “De N31
als drager van verzorgende en economische activiteiten van regionaalstedelijk
niveau” is te sterk autogericht en houdt op geen enkele manier rekening met de
gewenste verkeers- en vervoerstructuur waar voor het personenvervoer een steeds
belangrijker rol weggelegd is voor fiets, bus- en spoorverkeer. Als men ernstig
wil werken aan een duurzamer vervoersysteem dan moet tenminste de voorgestelde
light-rail-as in dit concept worden opgenomen.
Het concept
“Kernstad met satellieten” maakt de genoemde satellieten gelijkwaardig aan het
kerngebied. Dat de kernen van Loppem, Oostkamp, Sint-Elooi, en in mindere mate
Varsenare en Sijsele functioneren binnen het stedelijk gebied kan na zovele
decennia van suburbanisatie niet ontkend worden. Het is echter niet te
verantwoorden dat stedelijke functies even goed in bijvoorbeeld Sijsele kunnen
gelokaliseerd worden als in het kerngebied. Wij vragen dan ook een nuancering in
dit concept in te voeren, zodat duidelijk wordt dat de perifere locaties over
veel minder ontwikkelingspotentieel zullen kunnen beschikken dan het kerngebied.
Hypothese van gewenste ruimtelijke structuur
Wonen
- In het algemeen
maken we voorbehoud bij het aansnijden van perifere locaties voor
woonuitbreiding. Uiteindelijk is het in een duurzame ruimtelijke ontwikkeling
interessanter om de dichtheden dichter bij het centrum sterker op te voeren. De
perifere locaties zijn en blijven namelijk zeer sterk op het kerngebied (de stad
Brugge) gericht, en zijn zeer sterk op autoverplaatsingen aangewezen.
Openbaar vervoer en
fietsverkeer speelt voor deze locaties slechts een marginale rol wegens de grote
afstand tot de voorzieningen van het kerngebied. Specifiek voor het openbaar
vervoer speelt hier de lage en - zeker tijdens de spitsuren - nog steeds dalende
commerciële snelheid, een knelpunt dat enkel op te lossen is door structurele
technische maatregelen als vrije busbanen, lichtenbeïnvloeding of nog
drastischer: het aanleggen van een echt tram-lightrailsysteem (dus verdergaand
dan de voorstellen die gedaan worden). Dit zijn zaken die in het
afbakeningsproces te weinig als afwegingskader meegenomen en te weinig
uitgewerkt worden. Nochtans kunnen dergelijke zaken onvoldoende uitgewerkt
worden in een gemeentelijk mobiliteitsplan of ruimtelijk structuurplan.
- Uit de nota blijkt
niet welke rol het deels niet-opgevulde woongebied en het woonuitbreidingsgebied
Hermitage te Sint-Andries speelt bij de invulling van de taakstelling “wonen”.
Graag hadden wij hier een verduidelijking gekregen.
- De nuancering die
aangebracht wordt rond de dichtheid van 25 woningen per hectare, zoals
gehanteerd in het RSV, is misplaatst. Als men echt de bedoeling heeft het wonen
in het stedelijk gebied te concentreren is 25 woningen/ha een absoluut minimum.
Bedrijvigheid
- Wij onderschrijven
de gehanteerde uitgangspunten voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid
(maximaal rekening houden met grensstellende elementen, locatiebeleid op basis
van multimodale bereikbaarheid, aansluitend bij bestaande infrastructuur), aan
te vullen met de principes van integratie met en aansluiting bij het bestaande
weefsel en de principes van zuinig ruimtegebruik en maximaal hergebruik. We zien
deze principes in de praktijk echter niet gehandhaafd in de rest van het
document.
- We onderschrijven
het aanduiden van de stationsomgeving als toplocatie voor kantoren.
- Zowel de “spie”
tussen de spoorwegen naar Zeebrugge en Blankenberge (nu bestaand uit permanente
graslanden met bomenrijen en houtkanten) als de noordelijke uitbreidingszone van
de Blauwe Toren (nu bestaand uit historisch permanent grasland met een
soortenrijke fauna en flora in een weilandcomplex met veel sloten, microreliëf
en bomenrijen) worden door de biologische waarderingskaart aangeduid als
biologisch waardevolle gebieden en zijn aangemeld om opgenomen te worden in het
Vlaams Ecologisch Netwerk. De optie om deze gebieden als bedrijventerreinen te
ontwikkelen is een serieuze aanslag op de reeds zeer beperkte biodiversiteit in
het stedelijk gebied. Volgens art. 16 van het decreet op het natuurbehoud moet
schade aan het natuurlijk milieu vermeden worden en moet de te verwachten schade
gecompenseerd worden. Wij vragen dan ook dat binnen het afbakeningsproces
expliciet aangegeven wordt waar en op welke manier de te verwachten schade zal
gecompenseerd worden.
- Kantoorachtige bedrijvigheid
kan voor ons absoluut niet in nieuw aan te snijden open-ruimtegebieden.
Kantoorachtige bedrijvigheid is een typische activiteit die in een stedelijke
omgeving thuis hoort, aangezien de milieuhinder zich beperkt tot de
mobiliteitsproblematiek en de intensiteit van het ruimtegebruik gemakkelijk zeer
hoog kan gelegd worden. De directe omgeving van het station, en eventueel de uit
te bouwen treinstopplaats te St.-Pieters zijn dan ook de aangewezen locaties
voor een dergelijke activiteit. Daarnaast ondersteunen we ook de verweving van
dergelijke functies in het stedelijk weefsel.
De ruimtelijke afweging op basis waarvan het Chartreusegebied werd uitverkoren
als vestigingsplaats voor hoogwaardige diensten moet expliciet opgenomen worden
in het document. Het eenvoudig verwijzen naar de “voorafname” is absoluut
onverantwoord en onzorgvuldig in een plan dat een ruimtelijke visie zou moeten
zijn, nog los van het feit dat deze voorafname zelf duidelijk in strijd is met
het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Het RUP Chartreuse wordt behandeld als
een voldongen feit, terwijl het zelfs nog niet in procedure gegaan is en
officieel dus niet bestaat. Het is dus nog niet te laat om de duurzame zoektocht
naar een andere locatie voor kantoorachtige bedrijvigheid op te nemen in het
afbakeningsproces.
- De locatie die het
stadsbestuur voor grootschalige kleinhandel wil voorzien (Blauwe Toren-noord)
moet binnen een ruimtelijke afweging op bovenlokaal niveau worden geëvalueerd
(en dus niet binnen de opmaak van een BPA). Grootschalige kleinhandel op
perifere locaties brengt een pervers effect teweeg op het voorzieningenniveau
van de binnenstad en de (auto)mobiliteit en is dus niet te verantwoorden binnen
een planningsproces dat kernversterkend zou moeten werken. Wij verwijzen hier
ook naar de onderhandelingsnota van Formateur Yves Leterme, waar de nadruk
gelegd wordt op het versterken van de winkels in de stadscentra en het stoppen
van de ongebreidelde toename van baanwinkels. De uitbouw van de aanwezige
concentratie van grootschalige kleinhandel op de locaties Sint-Pieterskaai,
Maalsesteenweg en Veemarkt Sint-Michiels kunnen een valabel en duurzamer
alternatief vormen voor de perifere locatie Blauwe Toren(-noord). Daartoe moeten
de bestaande elementen op een ruimtelijk kwalitatieve wijze geïntegreerd worden,
moet de verkeersinfrastructuur veiliger gemaakt en moeten de alternatieve modi
geoptimaliseerd worden. Schaalvergroting is mogelijk door inbreiding (winkelverzamelgebouwen,
bouwen in de hoogte, parking op het dak en in de kelder). Door een selectie van
het type handelszaken die zich hier mogen vestigen, kan overdreven en
uithollende concurrentie met de kleinschalige kleinhandel in de stadskern en
oude dorpskernen vermeden worden. Het is de bedoeling dat deze grootschalige
kleinhandel enkel de concurrentie aangaat met andere grootschalige kleinhandel
die zich op locaties buiten het stedelijk gebied bevindt (perifere vestigingen
en andere stedelijke gebieden).
- Blijkbaar is er
bij het bestuur een draagvlak gevonden om de KMO-zone, bestaande uit 4,6 ha
moeras, in het Lappersfortbos van het gewestplan te schrappen. Dit kan enkel
worden toegejuicht.
Grootschalige
voorzieningen
- We onderschrijven
het aanduiden van de stationsomgeving (met inbegrip van het kanaaleiland) als
locatie voor publiekstrekkende activiteiten. We pleiten ervoor deze ontwikkeling
in een geïntegreerd project (een aangepast plan Neutelings) te gieten.
We wijzen erop dat
de verkeersproblematiek die inherent is aan de ontwikkeling van de
stationsomgeving grondig moet uitgewerkt worden. Behalve optimalisatie van het
openbaar vervoer en fietsverkeer (onder meer door ernstige flankerende
maatregelen), zal ook de wegeninfrastructuur geoptimaliseerd moeten worden. De
Bevrijdingslaan wordt ingericht als de primaire invalsweg naar de stadsring.
Optimalisatie van de verkeersinfrastructuur kan mogelijk ook grootschaliger,
grondig te bestuderen oplossingen vergen (ondertunneling...). Nieuwe
verkeersinfrastructuur (cfr. zuidelijke ontsluiting, zelfs lokaal) is voor ons
niet aanvaardbaar.
- Wij stellen voor
om te onderzoeken of de secundaire stationsomgeving van Sint-Pieters meegenomen
kan worden als ontwikkelingspool. Gelet op de aanwezigheid van de Campus AZ
Sint-Jan en het voorgestelde light-railconcept kunnen bepaalde publieksgerichte
functies mogelijks hier een plaats vinden (beurshalle, recreatie
Sint-Pietersplas...). Aangezien in de gewenste verkeers- en vervoerstructuur een
voorstel voor nieuwe stations geponeerd wordt, verbaast het ons dat de potentie
van het station Sint-Pieters nergens aan bod komt.
Groengebieden
- Wij erkennen de
belangrijke rol die de randstedelijke groengebieden Male/Ryckevelde en
Tillegembos/Sint-Andries spelen in het regionaalstedelijk gebied. De uitbreiding
van bosstructuren als stadsbos is toe te juichen. We vragen echter duidelijke
garanties dat opname van deze gebieden in het stedelijk gebied geen gevolgen
zal hebben voor de ecologische waarde van het gebied (bv. door overrecreatie).
- We vragen om het
Lappersfortbos integraal als stadsbos aan te duiden, met een natuureducatieve
rol en toegelaten recreatief medegebruik.
- Het golfterrein te
Sijsele is geen stedelijk groengebied en hoort dan ook niet thuis in dit
hoofdstuk.
-Er ontbreekt een
duidelijke visie op verblijfsrecreatie (campings).
Verkeer en vervoer
- We stellen vast
dat er een discrepantie bestaat tussen de hypothese van gewenste ruimtelijke
structuur (die zich sterk autogericht op de N31 ent) en de gewenste verkeers- en
vervoerstructuur (waar een light-rail wordt voorgesteld). Zoals gezegd opteren
wij voor een bijsturing van het “N31-concept” in de richting van een multimodale
benadering.
- We vrezen een
gebrek aan politieke wil en dus financiële middelen om een noord-zuidgerichte
light-railverbinding (zoals wordt voorgesteld) te realiseren, waardoor dit
interessante idee niet meer dan een losse flodder zal blijken. Een veel
goedkopere maatregel (eventueel als overgangsmaatregel in te voeren) zou kunnen
voortspruiten uit onderhandelingen met de NMBS om een stopplaats aan de
Kolvestraat (Blauwe Toren-Pathoekeweg) te voorzien, de omgeving van de
stopplaats St.-Pieters te optimaliseren (onder andere door, zoals voorgesteld,
te voorzien in een achter-uitgang met wandelroutes naar de Sint-Jan-campus) en
beide stopplaatsen niet alleen door de bestaande L-treinen van en naar Zeebrugge
maar ook door de (IC-)treinen naar Blankenberge (of eventueel Knokke) te laten
bedienen (hetgeen een beperkte 4’ vertraging oplevert voor reizigers van en naar
Blankenberge). Op die manier wordt een bediening van minimum één trein per half
uur mogelijk.
De opening van een
(ver)nieuw(d) station te Loppem en de verbetering van de bediening te
Zedelgem-St.-Elooi, Kolvestraat en St.-Pieters (voor de laatste twee stations
minstens drie treinen per uur per richting) vergt grotere investeringen in
materieel en personeel en kan in een tweede fase gerealiseerd worden. Het
station Loppem kan, afhankelijk van de ligging, een park&ride-functie krijgen,
dit in functie van de bereikbaarheid van de stationsomgeving vanop de
autosnelweg.
- Wij maken ernstig
voorbehoud bij de “lokale ontsluiting gekoppeld aan ontwikkeling
stationsomgeving” die op de kaart van gewenste verkeers- en vervoerstructuur
opduikt. Een nieuwe lokale weg kan geen onderwerp zijn van een planningsproces
op Vlaams niveau, en kan ook geen voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van de
stationsomgeving. Bijkomende wegeninfrastructuur kan geen optie zijn, zeker niet
wanneer deze extra-versnippering en verlies aan groen met zich meebrengt. De
bestaande Vaartdijkstraat moet omgevormd worden tot een langzaam-verkeeras die
verder enkel door werknemers van Bombardier & co met de wagen gebruikt kan
worden.
- Voor het
doorstromingsknelpunt tussen Oostkamp en Brugge aan de brug van Steenbrugge
stellen wij voor de bestaande brug te vervangen door een halfhoge hefbrug, die
enkel nog open gaat wanneer een containerschip passeert.
Voorstel van
afbakening
- Ter hoogte van de
zeehaven vragen wij expliciet dat de terreinen “Herdersbrug-niet watergebonden”
opgenomen worden in het regionaalstedelijk gebied; dit omwille van de bijna
naadloze aansluiting bij het terrein Blauwe Toren, het de facto gebruik door
regionale bedrijven (en niet door expliciet aan de zeehaven en het water
gebonden bedrijven) en om ook hier openbaar vervoer van stedelijk niveau te
kunnen aanbieden.
- Het landbouwgebied
gelegen tussen de N31 en de Blankenbergse Steenweg moet in de agrarische
structuur van het buitengebied opgenomen worden. Daarbij zou een
buitengebiedbeleid gevoerd moeten worden, waarbij het landbouwgebruik garanties
krijgt, de open ruimte behouden blijft en er mogelijkheden voorzien worden om
het landschap te versterken (kleine landschapselementen).
- Aangezien de Damme
Golf & Country Club niet opgenomen wordt in het regionaalstedelijk gebied,
kunnen hier vanuit een stedelijk afwegingskader geen uitspraken over gedaan
worden. Op basis van de extreem perifere ligging is het inderdaad niet
verantwoord om het zonevreemde Damse golfterrein in het stedelijk gebied op te
nemen.
Golf is een sport
die zeer ruimte-extensief is en ten behoeve van een beperkt publiek een zeer
zware ruimteclaim legt. Bovendien vormen golfterreinen absoluut geen essentiële
functie van het buitengebied. Het is dan ook onverantwoord om dit terrein, dat
wegens zijn ligging geen rol kan spelen in het stedelijk gebied, nog te laten
uitbreiden.
Een regularisatie
van de bestaande grootschalige activiteit is eventueel mogelijk indien
belangrijke aandacht gaat naar het integreren van een ecologische infrastructuur
en de omvorming tot een zogenaamde eco-golf (term uit het golfmemorandum van
ontslagnemend minister Van Mechelen).
- Het aansnijden van
de naar voren geschoven woonuitbreidingsgebieden in Sijsele en Oostkamp kan
enkel indien dit gefaseerd gebeurt, waarbij de norm van 25 woningen per hectare
in elke fase als strikt minimum gehanteerd wordt. Het nogmaals uitbreiden door
middel van ruimteverspillende villa-verkavelingen is niet langer aanvaardbaar.
Aansnijden van extra woongebied kan enkel in combinatie met het ernstig
uitbouwen van openbaar vervoer (met doorstromingsmaatregelen voor de bus in de
spits).
- Wij vragen met
aandrang om het Chartreusegebied niet op te nemen in het stedelijk gebied, en
als natuurverwevingsgebied in het buitengebied op te nemen. Dit geldt zowel voor
het VEN-gebied in het noorden (inclusief het slecht gelokaliseerde zonevreemde
Novotel) als het zuidelijke deel, aansluitend bij Heidelbergstraat en
Wulgebroeken. Voor een regionaal bedrijventerrein, en in het bijzonder voor
kantoorachtige bedrijvigheid is dit een absoluut verkeerde locatie in termen van
duurzaamheid. Voor de activiteiten die hier voorzien worden stellen wij de
stationsomgeving van Brugge voor, waar mits een intensiever ruimtegebruik
dezelfde activiteiten, verweven met onder meer recreatieve en
handelsactiviteiten, een plaats kunnen vinden.
Een alternatieve
mogelijkheid is dat het gebied toch in het stedelijk gebied opgenomen wordt,
maar dan wel als stedelijk open-ruimtegebied, waar zowel beroepslandbouw,
hobbylandbouw, landschapsbouw, natuurontwikkeling, archeologische leerroute,
park- en (speel)bosfunctie en natuur(educatieve) functies en (zachte) recreatie
niet enkel mogelijk gemaakt, maar ook actief ontwikkeld moeten worden.
- Varsenare zou
opgenomen kunnen worden binnen het regionaalstedelijk gebied en dient in dat
geval ook een deel van de taakstelling voor wonen op te nemen. De argumentatie
dat hier moet uitgebreid worden om “ontvolking” tegen te gaan is echter
misplaatst. De suburbane woonuitbreidingen in Varsenare liggen veeleer aan de
basis van de ontvolking van het Brugse kerngebied! Voor ons kan hier enkel met
inbreiding gewerkt worden. Uitbreiden in de open ruimte door middel van nog maar
eens een aantal lage-densiteitsverkavelingen is uit den boze. Appartementsbouw
in het centrum van Varsenare, gekoppeld aan een sterk verbeterd openbaar vervoer
(met doorstromingsmaatregelen voor de bus in de spits) kan garant staan voor een
leefbare sociale mix die tegelijk de open ruimte behoudt. De norm van minimum 25
woningen per hectare in stedelijk gebied moet voor elke nieuwe ontwikkeling,
zeker in de perifere kernen, als absolute ondergrens gelden.
Het aansnijden van
het landschappelijk waardevol landbouwgebied en parkgebied ter hoogte van de
Smissebeek voor nog maar eens een ruimteverslindende villawijk is ontoelaatbaar.
We vragen dan ook om dit gebied niet in de afbakening op te nemen.
- Het is onduidelijk
waarom het landbouwgebied tussen de Pastoriestraat en de Grote Moerstraat te
St-Andries binnen de afbakening wordt opgenomen. Graag hier verduidelijking.
Slotbemerkingen
Naar aanleiding van
deze inspraakmogelijkheid, zouden wij van het projectteam graag een duidelijk en
omstandig antwoord krijgen op de vraag wat er met onze opmerkingen gedaan wordt
en hoe en wanneer er rekening mee zal worden gehouden. ‘Inspraak’ is een
democratisch proces dat niet systematisch ontmoedigd maar bevorderd moet
worden.
Ook verwachten we
een antwoord op de meer concrete vragen, die hierboven geformuleerd werden en
waarop in de ons ter beschikking gestelde nota’s geen antwoorden te vinden
waren. Wij denken dat onze inspanning om een constructieve bijdrage te leveren
aan het afbakeningsproces een dergelijke vraag om antwoord rechtvaardigt.
Tot slot merken we
op dat het, binnen het korte geboden tijdsbestek, onmogelijk is geweest om de
opties die in de nota’s van het afbakeningsproces werden voorgesteld allemaal
even grondig te onderzoeken en te evalueren. De hierboven aangegeven opmerkingen
kunnen op dit moment dan ook niet als een definitief standpunt beschouwd worden.
Voor het
Groene Gordel Front,
Jozef De Coster,
voorzitter
jozef.decoster@pandora.be
Luc Vanneste,
secretaris
groenegordelfront@tijd.com
’t Kloosterhof 63
8200 Brugge, 050390957